Risico- en beschermende factoren
De kernbouwsteen van Communities That Care is het concept van risico- en beschermende factoren. Tientallen jaren onderzoek laten zien dat bepaalde omstandigheden en invloeden in het leven van een jongere de kans op probleemgedrag vergroten, of het nu gaat om middelengebruik, geweld, criminaliteit of schooluitval. Dat zijn risicofactoren. Andere omstandigheden verkleinen die kans en bevorderen een gezonde ontwikkeling. Dat zijn beschermende factoren.
Beide zijn in elk levensdomein van een jongere te vinden:
- Individu en leeftijdgenoten: persoonlijke opvattingen, zoals de neiging om risico’s te nemen en de houding tegenover probleemgedrag, de vriendenkring, vroege gedragspatronen.
- Gezin: de opvoedingsstijl, waaronder toezicht en duidelijke regels, de samenhang in het gezin, conflicten, en de houding van de ouders zelf tegenover probleemgedrag.
- School: binding met school, schoolsucces, het schoolklimaat en de mogelijkheden om mee te doen.
- Gemeenschap en buurt: sociale banden, de beschikbaarheid van drugs of wapens, gedeelde normen en mogelijkheden om betrokken te zijn.
Wat dit zo bruikbaar maakt, is dat veel van deze factoren niet-specifiek zijn. Eén verhoogde risicofactor, zoals weinig binding met school, vergroot het risico op meerdere problemen tegelijk, bijvoorbeeld zowel op drugsgebruik als op criminaliteit. Een sterke beschermende factor, zoals samenhang in het gezin, beschermt op dezelfde manier tegen meerdere problemen.
CTC brengt deze kennis in de praktijk door een gemeenschap te helpen vaststellen, aan de hand van lokale gegevens en vooral de CTC-jongerenenquête, welke risico- en beschermende factoren bij haar eigen kinderen en jongeren het sterkst aanwezig zijn. Dat maakt preventieplanning gericht en doelmatig: de middelen gaan naar waar de lokale cijfers zeggen dat ze nodig zijn.
Het Sociaal Ontwikkelingsmodel
De ontwikkelingstheorie die verklaart hoe deze factoren werken, en hoe een positieve ontwikkeling kan worden bevorderd, is het Sociaal Ontwikkelingsmodel (Social Development Model) van J. David Hawkins en Richard F. Catalano.
Het model beschrijft hoe jongeren sociaal gedrag aanleren, zowel prosociaal als problematisch. Centraal staat binding met sociale eenheden die prosociaal gedrag aanmoedigen: het gezin, de school, positieve vriendengroepen en de bredere gemeenschap. Zulke sterke banden behoren tot de belangrijkste beschermende factoren die er zijn.
Zulke banden ontstaan en worden sterker wanneer aan drie voorwaarden is voldaan:
- Kansen: kinderen en jongeren hebben gelegenheid nodig om actief en betekenisvol deel te nemen aan het gezin, de school en het leven in de gemeenschap, om iets bij te dragen, verantwoordelijkheid te nemen en een positief verschil te maken.
- Vaardigheden: ze hebben de sociale, emotionele en cognitieve competenties nodig om die kansen te benutten en met uitdagingen om te gaan, waaronder communiceren, problemen oplossen en zelfregulering.
- Erkenning: hun inzet, betrokkenheid en prosociale gedrag moeten worden opgemerkt, erkend en gewaardeerd. Die erkenning versterkt het gedrag en verdiept de binding.
Wanneer alle drie aanwezig zijn, ontwikkelen jongeren een sterke emotionele band met deze prosociale eenheden. Via die band nemen ze de waarden, normen en overtuigingen van de groep over, en vormen ze gezonde opvattingen en duidelijke normen voor hun eigen gedrag.
Het resultaat: jongeren met sterke prosociale banden gedragen zich vaker zelf prosociaal, zetten zich vaker positief in voor hun gemeenschap en zijn weerbaarder tegen negatieve invloeden. Omgekeerd leiden zwakke banden met prosociale eenheden, of sterke banden met antisociale eenheden zoals delinquente vrienden, tot het overnemen van problematische normen en problematisch gedrag.