Naar de inhoud
Nr. 10jul 2025Praktijk

75% minder jeugdgeweld in één wijk in Denver: wat Europese gemeenschappen kunnen leren van de CTC-evaluatie

Een evaluatie van Communities That Care in twee achterstandswijken in Denver: het jeugdgeweld daalde in de ene met 75% en in de andere helemaal niet. Wat dat verschil onthult over de voorwaarden voor succes, en wat eruit volgt voor Europese steden die gemeenschapsgerichte preventie invoeren.

Auteur
Maximilian von Heyden
Gepubliceerd
· 8 min leestijd
Reeks
CTC Magazine
18Inhoud
  1. 01De studie in detail: opzet en methoden
  2. Onderzoeksopzet en gebieden
  3. Een vernieuwende methodologie
  4. Primaire uitkomst: arrestaties van jongeren voor geweldsdelicten
  5. 02De interventie: een aangepaste CTC met de nadruk op het gemeenschapsniveau
  6. Theoretische basis: het Sociaal Ontwikkelingsmodel
  7. De uitgevoerde strategieën
  8. 03De centrale resultaten: wat de cijfers betekenen
  9. Het mobilisatie-effect in wijk B
  10. Effecten op de lange termijn en duurzaamheid
  11. Wijk A: geen meetbaar effect, vanaf een laag uitgangsniveau
  12. 04Succesfactoren en obstakels: lessen voor de praktijk
  13. 05Overdracht naar Europa: wat kunnen we leren?
  14. Methodologische implicaties
  15. Het belang van de mobilisatiefase
  16. Aanpassen aan lokale omstandigheden
  17. 06Conclusie: wat de studie uit Denver betekent voor de Europese preventie
  18. 07Literatuur

Een studie uit Denver, Colorado, levert nieuw empirisch bewijs voor de effectiviteit van Communities That Care (CTC) bij het voorkomen van jeugdgeweld. De studie van Kingston en collega’s (2026) verdiept bovendien ons inzicht in de voorwaarden waaronder de aanpak slaagt, bevindingen die van belang zijn voor elke Europese gemeenschap die CTC overweegt. De evaluatie valt op door haar methodologische kwaliteit en haar lange observatieperiode.

De studie in detail: opzet en methoden

Onderzoeksopzet en gebieden

De studie onderzocht twee door geweld getroffen wijken in Denver met hoge geweldscijfers en sociaal-economische achterstand:

  • Wijk A: een groter gebied waar ongeveer 11% van de gezinnen onder de armoedegrens leeft.
  • Wijk B: een kleiner gebied waar 19% van de gezinnen in armoede leeft.

Bij aanvang van de studie lagen de arrestatiecijfers onder jongeren in beide wijken ver boven het Amerikaanse landelijke gemiddelde, een uitgangspositie die vergelijkbaar is met die van achterstandswijken in de grotere steden van Europa.

Een vernieuwende methodologie

De onderzoekers gebruikten twee quasi-experimentele benaderingen die even relevant zijn voor Europese evaluatiestudies.

1. Onderbroken tijdreeksanalyse (interrupted time series, ITS). Deze methode vergelijkt trends vóór en na de interventie binnen dezelfde wijk. Zij beantwoordt de vraag: veranderde het verloop van het jeugdgeweld significant nadat de implementatie van CTC was begonnen?

De ITS-analyse liet zien:

  • in wijk A geen significante verandering in de toch al lage trends;
  • in wijk B een significante omslag van stijgende naar dalende arrestatiecijfers.

2. Difference-in-differences (DiD) met synthetische controles. Deze methode construeert een ‘synthetische controlegemeenschap’ uit de gegevens van alle andere wijken in Denver die in relevante kenmerken op wijk B lijken. Zij ondervangt een veelvoorkomend probleem in het preventieonderzoek: het ontbreken van geschikte controlegroepen. De DiD-analyse bevestigde dat de daling in wijk B significant groter was dan in vergelijkbare gebieden zonder CTC.

Primaire uitkomst: arrestaties van jongeren voor geweldsdelicten

De belangrijkste indicator van de studie was het aantal arrestaties van jongeren van 10 tot 24 jaar voor geweldsdelicten, te weten:

  • moord en doodslag;
  • beroving;
  • zware mishandeling;
  • verkrachting.

Voor een Europese lezer is het belangrijk te bedenken dat een ‘arrestatie’ in het Amerikaanse systeem niet dezelfde gebeurtenis is als in de meeste Europese politiesystemen, waar doorgaans de registratie van een verdachte de doorslaggevende gebeurtenis is, en niet een aanhouding met insluiting. Vergelijkbare Europese indicatoren zouden zijn:

  • door de politie geregistreerde geweldsdelicten met jonge verdachten, uit de nationale criminaliteitsstatistiek;
  • aantallen verdachten per leeftijdsgroep;
  • veroordelingen door de jeugdrechter.

De interventie: een aangepaste CTC met de nadruk op het gemeenschapsniveau

Theoretische basis: het Sociaal Ontwikkelingsmodel

Het dat aan de studie ten grondslag ligt, stelt dat jongeren zich via drie elementen binden aan prosociale volwassenen en instellingen:

  1. kansen voor prosociale betrokkenheid;
  2. vaardigheden om die kansen met succes te benutten;
  3. erkenning voor prosociale deelname.

Die binding bevordert het overnemen van prosociale normen en vermindert probleemgedrag.

De uitgevoerde strategieën

1. De mediacampagne Power of One (PO1). Een door jongeren geleide mediacampagne met digitale advertenties, publieksevenementen en inhoud voor sociale media, gericht op het versterken van de binding met de .

2. De Sociale Ontwikkelingsstrategie (SDS). Een systematische aanpak om de drie kernelementen, kansen, vaardigheden en erkenning, in alle programma-activiteiten te verankeren.

3. Violence, Injury Protection and Risk Screen (VIPRS). Een screeningsinstrument waarmee kinderartsen jongeren met een verhoogd risico op geweld vroeg kunnen herkennen. Sommige Europese stelsels voor vroeghulp gebruiken een vergelijkbare screening bij reguliere gezondheidscontacten en verbinden zo de gezondheidszorg met de voorzieningen voor kinderen en gezinnen.

4. Kleine subsidies voor lokale initiatieven (alleen wijk A). Kleine subsidies, gemiddeld 2.095 Amerikaanse dollar, waarmee lokale organisaties activiteiten voor jongeren organiseren.

5. PATHS en sociaal-emotioneel leren in de hele wijk (alleen wijk B). ‘Promoting Alternative Thinking Strategies’, een programma voor sociaal-emotioneel leren, uitgevoerd in de hele wijk en niet alleen op scholen. PATHS is in verschillende Europese landen aangepast en geëvalueerd, onder meer in Kroatië, Nederland, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk, met resultaten die per land en per implementatie verschillen; de pagina over interventiedatabanken laat zien waar u het kunt opzoeken.

De centrale resultaten: wat de cijfers betekenen

Het mobilisatie-effect in wijk B

Een centraal resultaat was de daling van het arrestatiecijfer in wijk B van 1.086 per 100.000 jongeren in 2016 naar 443 in 2017, een afname van 59% in het eerste jaar alleen al. Dit ‘mobilisatie-effect’ wijst erop dat de intensieve voorbereiding en de mobilisatie van de gemeenschap op zichzelf al een preventieve werking kunnen hebben.

Effecten op de lange termijn en duurzaamheid

In 2021 was het cijfer in wijk B verder gedaald, tot 276 per 100.000, een totale afname van 75%. Dat het effect vijf jaar lang standhield, ook tijdens de pandemie, wijst op een duurzame interventie en weerlegt de kritiek dat preventiesuccessen maar van korte duur zijn.

Wijk A: geen meetbaar effect, vanaf een laag uitgangsniveau

Wijk A liet geen significante veranderingen zien, maar was van lage waarden gestart (gemiddeld 312 per 100.000) door een eerdere ronde van deelname aan CTC (2011–2016). Dat die cijfers tijdens de pandemie stabiel bleven, terwijl veel Amerikaanse steden een toename van geweld registreerden, kan voorzichtig worden gelezen als het vasthouden van een laag niveau; robuust bewijs voor een effect is het niet. De effectbevinding van de studie beperkt zich dus tot wijk B.

Succesfactoren en obstakels: lessen voor de praktijk

De uiteenlopende resultaten in de twee wijken bieden belangrijke inzichten in de voorwaarden voor succesvolle preventie. Het centrale verschil tussen de twee gebieden lag in hun omvang en in de implementatievoorwaarden die daaruit voortvloeiden. Wijk B, met ruwweg een kwart van de bevolking van wijk A, liet de preventiemaatregelen dieper doordringen en bracht de betrokkenen persoonlijker met elkaar in contact. Die overzichtelijke omvang bleek een doorslaggevend voordeel voor de succesvolle mobilisatie en de duurzame verankering van het CTC-systeem.

Een andere kritische succesfactor in wijk B was de druk om te handelen die door voorafgaande gewelddadige gebeurtenissen was ontstaan. Die crisiservaring leidde tot een uitzonderlijk hoge mate van mobilisatie en een gedeelde wil tot verandering. In combinatie met een duidelijke leiderschapsstructuur en toegewijde lokale voortrekkers ontstond een gerichte implementatieomgeving zonder concurrerende initiatieven, wat volledige concentratie op CTC mogelijk maakte.

Wijk A daarentegen kampte met structurele uitdagingen die een hernieuwde mobilisatie ondanks de eerdere CTC-ervaring bemoeilijkten. Alleen al de omvang van het gebied maakte een gebiedsdekkende implementatie complex en vergde veel middelen. Meerdere preventie-initiatieven concurreerden om aandacht en middelen, met dubbel werk en onduidelijke verantwoordelijkheden als gevolg. Tegelijk ontwrichtte snelle sociale verandering door gentrificatie de netwerken die waren gegroeid. Na jaren van onafgebroken deelname aan programma’s temperde bovendien een zekere ‘preventiemoeheid’ onder de belangrijkste betrokkenen de hernieuwde inzet voor CTC.

Overdracht naar Europa: wat kunnen we leren?

Methodologische implicaties

De studie laat zien dat een methodologisch degelijke effectevaluatie mogelijk is zonder gerandomiseerde controlegroepen. Synthetische controles en onderbroken tijdreeksen bieden werkbare alternatieven voor gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeksopzetten, die op gemeenschapsniveau alleen met grote inspanning uitvoerbaar zijn. Dat is van belang in Europa, waar het meest recente onafhankelijke oordeel over CTC voorzichtig is gebleven, niet uit twijfel aan het model, maar door een tekort aan studies in de setting waar het reviewers om te doen is (zie de evidentiepagina).

Het belang van de mobilisatiefase

Het vroege effect in wijk B laat zien hoe relevant intensieve voorbereiding is. Een Europese CTC-gemeenschap moet daarom:

  • ten minste zes tot twaalf maanden uittrekken voor de mobilisatie;
  • brede deelname verzekeren voordat de programma’s van start gaan;
  • de mobilisatie zelf als interventie opvatten.

Aanpassen aan lokale omstandigheden

De uiteenlopende resultaten laten zien dat CTC aan de lokale omstandigheden moet worden aangepast. Aanbevelingen:

  • richt u in grote steden op overzichtelijke stadsdelen en wijken in plaats van op de hele stad;
  • reserveer in grotere gebieden meer middelen voor coördinatie;
  • gebruik flexibele implementatiemodellen, afgestemd op de context.

Conclusie: wat de studie uit Denver betekent voor de Europese preventie

De evaluatie van Kingston et al. (2026) levert empirisch bewijs voor de effectiviteit van CTC bij het voorkomen van jeugdgeweld, beperkt tot een van de twee onderzochte wijken. De daling van de geweldscijfers met 75% in wijk B over vijf jaar is een bemoedigend resultaat dat het belang van systematische, gemeenschapsgerichte preventie onderstreept; het uitblijven van een effect in wijk A laat tegelijk zien dat de implementatievoorwaarden over het succes beslissen. Eén goed opgezette quasi-experimentele studie in één wijk beslecht de bredere vraag naar het effect van CTC op geweld niet, maar zij voegt een datapunt toe in dezelfde richting als het gerandomiseerde bewijs, van een onafhankelijke onderzoeksgroep en uit een setting van werkelijke achterstand.

Voor Europese gemeenschappen volgen daaruit verschillende bevindingen:

  1. Wetenschappelijk onderbouwde benaderingen zijn werkbaar en effectief, mits ze aan de lokale context worden aangepast.
  2. Mobilisatie is cruciaal: het proces telt even zwaar als de programma’s.
  3. De omvang van het gebied doet ertoe: de implementatiestrategie moet erop zijn afgestemd.
  4. Duurzaamheid is mogelijk, maar vraagt om voortdurende ondersteuning.

Literatuur

Kingston, B. E., Arredondo Mattson, S., Little, J. S., Steeger, C. M., Sigel, E. J., Carrillo, U. L., Bechhoefer, D., Argamaso, S., & D’Inverno, A. (2026). Effects of the Communities That Care (CTC) prevention system on youth violence outcomes in two violence-impacted Denver communities. American Journal of Criminal Justice, 51(1), 281–308. https://doi.org/10.1007/s12103-025-09811-0

Einde
Gerelateerde artikelen
Maximilian von Heyden

Wijk of instelling? Waar preventiegegevens verankerd moeten zijn

Of ondersteuning op de wijk of op de afzonderlijke school of kinderopvang wordt gericht, bepaalt hoe nauwkeurig zij terechtkomt en of een instelling zichzelf in de cijfers herkent. Een ontwerpvraag voor elke datagestuurde preventie-inspanning, ook voor Communities That Care.

Lees meer
Maximilian von Heyden

Geloof, geest en preventie: wat beschermt jongeren werkelijk – religie, spiritualiteit of de mechanismen erachter?

Het onderzoek naar religie als beschermende factor is omvangrijk, en ingewikkelder dan het lijkt. Meta-analyses laten consistente samenhangen zien tussen religiositeit en minder middelengebruik. Maar conceptuele vaagheid, meetproblemen en blinde vlekken wijzen op een andere conclusie: wat beschermt is niet ‘religie’ of ‘spiritualiteit’, maar de psychosociale mechanismen erachter – zelfregulering, sociale integratie, morele oriëntatie – en die zijn niet beperkt tot religieuze settings.

Lees meer
Maximilian von Heyden

Preventie is een zaak van de burgemeester: de leidende rol van het lokale bestuur in positieve jeugdontwikkeling

Preventie slaagt waar het hoofd van de gemeente er een zaak van de top van maakt. Een analyse van de leidende rol van burgemeesters en gemeentebestuurders in lokale preventie en positieve jeugdontwikkeling, en van het bondgenootschap met de raad, de ambtelijke organisatie en het maatschappelijk middenveld dat daarvoor nodig is.

Lees meer