Bevordering van gezonde ontwikkeling · In de praktijk
De Sociale Ontwikkelingsstrategie in het dagelijks leven.
Niemand kan alles voor een kind doen, maar iedere volwassene die een kind tegenkomt, kan iets bijdragen. De Sociale Ontwikkelingsstrategie beschrijft waar het om draait: kinderen hebben kansen nodig om mee te doen, de vaardigheden om die kansen te benutten en erkenning voor hun inzet. Deze pagina laat zien hoe dat er in de dagelijkse praktijk uitziet en hoe een CTC-gemeenschap de strategie in haar organisaties kan verankeren.
Kinderen nemen de waarden over van de mensen aan wie ze gehecht zijn, want een kind wil de relatie met iemand die belangrijk voor het is niet op het spel zetten. Hechting laat zich niet afdwingen, maar ze groeit betrouwbaar wanneer drie dingen samenkomen. Om daar gedeelde normen uit te laten ontstaan, zeggen volwassenen wat ze belangrijk vinden en leven ze daar zelf naar.
1KansenKansen om mee te doen en bij te dragen+
2VaardighedenHet vermogen om de kans goed te benutten+
3ErkenningConcrete feedback op inzet en vooruitgang=
4BindingHechting aan de mensen die dit alles bieden
5Duidelijke normenWaarden die de groep deelt en naleeft
BijvoorbeeldIeder mens is evenveel waardMet respect met elkaar omgaanElkaar helpenConflicten zonder geweld oplossenMeepraten en andere meningen laten meetellenVerantwoordelijkheid nemenWaar deze waarden bij aansluiten
1Zo zien echte kansen eruit
Het kind heeft een echte taak die voor anderen verschil maakt, en inspraak in zaken die het aangaan. De taak past bij de leeftijd en de rijpheid van het kind.
Veelgemaakte fout: Kansen betekenen niet dat kinderen alles beslissen. Volwassenen bepalen de kaders en luisteren daarbinnen.
2Zo ziet het aanleren van vaardigheden eruit
Voordat een kind een taak op zich neemt, laat iemand zien hoe het moet, deelt het op in stappen en oefent het samen met het kind. Het kind merkt dat het de taak aankan.
Veelgemaakte fout: Een taak zonder de vaardigheden om haar uit te voeren is geen kans maar een valkuil. Een kind dat faalt omdat niemand liet zien hoe het moet, trekt zich terug.
3Zo ziet goede erkenning eruit
De feedback benoemt wat het kind deed, komt kort daarna en gaat over de inzet, niet alleen over het resultaat. Ook een begroeting, een briefje op het prikbord of een zin in de nieuwsbrief aan ouders kan erkenning zijn.
Veelgemaakte fout: Een algemeen ‘goed gedaan’ voor iedereen bereikt niemand. Erkenning werkt wanneer het individuele kind merkt dat ze voor hem of haar bedoeld is.
Fig. 1Het recept van de Sociale Ontwikkelingsstrategie: drie ingrediënten die samen binding creëren, waaruit de bereidheid groeit om duidelijke, gedeelde normen over te nemen.
De drie ingrediënten zijn niet voorbehouden aan goede bedoelingen. Wie een kind voor zich wil winnen, geeft het een taak, leert het hoe dat moet en waardeert het ervoor. Sportclubs en scholen doen dat, maar ook een vriendengroep waarin roken of vapen erbij hoort.
Bij de sportclub
1Kansen: Het twaalfjarige meisje mag helpen bij de training van de jongste jeugd.
2Vaardigheden: De trainer laat haar zien hoe je een oefening uitlegt.
3Erkenning: Waar het hele team bij is, zegt hij wat ze goed deed.
NormenZe neemt de regels van de club over: eerlijk spelen, op tijd komen, op de kleintjes letten.
In de vriendengroep
1Kansen: Na school mag het twaalfjarige meisje met de ouderen mee achter de gymzaal.
2Vaardigheden: Een vriendin laat haar zien hoe ze een vape gebruikt zonder te hoesten.
3Erkenning: De anderen juichen omdat ze meedoet. Nu hoort ze erbij.
NormenZe neemt de regels van de groep over: vapen is normaal, en de volwassenen hoeven het niet te weten.
Waar het dus om gaat, is wie de ingrediënten levert. Hoe meer volwassenen in een gemeenschap bewust kansen, vaardigheden en erkenning bieden, hoe meer groepen met gezonde normen een kind heeft om zich aan te hechten.
Voorbeelden van gedeelde waarden.
De negen waarden hier zijn voorbeelden, geen volledige lijst. Over een aantal ervan valt niet te onderhandelen: waardigheid, gelijkwaardigheid en bescherming tegen discriminatie gelden voor ieder kind volgens het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), dat alle Europese landen hebben geratificeerd, en ze behoren tot de waarden waarop de Europese Unie berust (artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). Welke andere waarden een gemeenschap of organisatie centraal stelt, bepaalt zij zelf. Scholen en jeugdvoorzieningen hebben nu al de opdracht om waarden over te dragen: het verdrag legt in artikel 29 de doelen van het onderwijs vast, en het referentiekader van de Raad van Europa voor competenties voor een democratische cultuur (RFCDC) beschrijft de waarden, houdingen en vaardigheden waarop democratisch burgerschapsonderwijs voortbouwt.
Ieder mens is evenveel waardIVRK art. 2Art. 2 VEU
Niemand wordt buitengeslotenIVRK art. 2Art. 2 VEU
Met respect met elkaar omgaanIVRK art. 29RFCDC: respect
Elkaar helpenIVRK art. 29RFCDC: burgerzin
Conflicten zonder geweld oplossenIVRK art. 29RFCDC: conflictoplossing
Meepraten en andere meningen laten meetellenIVRK art. 12IVRK art. 13
Samen regels afspreken en nalevenIVRK art. 29RFCDC: waarde hechten aan democratie
De verwijzingen zijn aanknopingspunten, geen citaten: geen enkel artikel vraagt letterlijk van kinderen dat ze ‘elkaar helpen’, maar elk beschrijft het doel waaraan de waarde bijdraagt.
Waar de strategie past.
De ordenen het aanbod naar het risico van de groep waarop het zich richt. De Sociale Ontwikkelingsstrategie ligt daaronder: het is bevordering van gezonde ontwikkeling voor alle kinderen, ongeacht hun risico.
Geïndiceerde preventie
Voor wie al eerste signalen van problemen laat zien.
Selectieve preventie
Voor groepen met een verhoogd risico.
Universele preventie
Voor een hele leeftijdsgroep of school.
Bevordering van gezonde ontwikkeling
Versterkt het welzijn en de ontwikkeling van alle kinderen in het dagelijks leven, zonder gekoppeld te zijn aan een risico. In de publieke gezondheidszorg heet dit veld gezondheidsbevordering. Hier ligt de Sociale Ontwikkelingsstrategie.
Fig. 2Preventieniveaus naar het risico van de doelgroep, en daaronder bevordering van gezonde ontwikkeling voor alle kinderen.
De strategie is dus geen programma dat een bewezen effectief programma uit een interventiedatabank vervangt. De programma’s richten zich op de prioritaire risicofactoren van een gemeenschap; de strategie zorgt ervoor dat ook het dagelijks leven tussen de programma’s door binding versterkt. Het preventieplan bevat beide, naast elkaar.
Toepassen
De ingrediënten in het dagelijks leven.
De strategie vraagt geen nieuw aanbod. Ze begint bij wat er toch al gebeurt: aan tafel, bij het huiswerk, bij het voorlezen. Kies een situatie en kijk waar de drie ingrediënten een plek krijgen.
Samen eten
Kinderopvang en bso
1Kansen
De kinderen dekken om de beurt de tafel, scheppen zelf op en beslissen één keer per week mee over wat er op het menu staat.
2Vaardigheden
Een pedagogisch medewerker laat zien hoe je een schaal veilig draagt en een portie inschat, en oefent dat met de nieuwe kinderen voordat ze het zelf doen.
3Erkenning
Na het eten zegt ze wat haar opviel: ‘Jij hebt vandaag aan iedereen gedacht, ook aan Mila, die later kwam.’
Niet alles wat op participatie lijkt, is ook participatie. De participatieladder van Hart onderscheidt acht treden. Bij de onderste drie doen kinderen alleen in naam mee; echte participatie begint bij de vierde. Kies een trede om te zien wat ze inhoudt en hoe de volgende trede eruit zou zien.
8Trede 8: Door kinderen gestart, samen met volwassenen beslistKinderen nemen het initiatief en halen bewust volwassenen erbijSamen beslissen
Kinderen en jongeren starten een project en halen bewust volwassenen erbij om gebruik te maken van hun ervaring en invloed. Beslissingen worden samen genomen.
Voorbeeld
Jongeren willen een voetbalveldje in hun wijk, nodigen de gemeenteraad uit en onderhandelen met de raad over de plek en de regels.
Kinderen hoeven niet altijd bovenaan de ladder te werken. Hart benadrukt zelf dat het om de keuze gaat: een activiteit moet elk kind de hoogste trede bieden die op dat moment bij het kind past.
5Trede 5: Geraadpleegd en geïnformeerdKinderen worden echt gevraagd en horen wat er daarna gebeurtBetrokkenheid
Het project is van de volwassenen, maar de kinderen worden echt om hun mening gevraagd, begrijpen het proces en horen wat er met hun antwoorden gebeurt.
Voorbeeld
De school vraagt elke klas hoe het schoolplein opnieuw ingericht moet worden, en legt daarna uit welke voorstellen worden uitgevoerd en waarom andere niet.
Een trede hoger
Op trede 6 zouden leerlingen in de ontwerpgroep zitten en meebeslissen over de nieuwe inrichting.
3Trede 3: SchijnparticipatieKinderen lijken een stem te hebben, maar zonder invloedGeen participatie
Kinderen lijken inspraak te hebben, maar hebben geen invloed op het onderwerp of de uitkomst. Vaak zijn ze door volwassenen uitgekozen en spreken ze alleen voor zichzelf.
Voorbeeld
Twee uitgekozen kinderen zitten in het panel op een preventiecongres en lezen een welkomstwoord voor dat volwassenen voor hen hebben geschreven.
Een trede hoger
Op trede 5 zouden de kinderen eerst meningen in hun klas ophalen, die in het panel presenteren en later horen wat ermee is gedaan.
2Trede 2: DecoratieKinderen sieren een evenement op zonder het mee vorm te gevenGeen participatie
Kinderen zijn er om een gelegenheid kleur te geven: ze zingen, dragen de T-shirts, staan op de foto. Niemand beweert dat ze het mee hebben vormgegeven, maar niemand legt ze ook iets uit.
Voorbeeld
Op het buurtfeest treedt de kindergroep op omdat dat leuk staat, en wordt daarna weer weggestuurd.
Een trede hoger
Op trede 4 zou de groep een echte taak op het feest hebben, zoals de gasten verwelkomen, en zou ze weten waarom die nodig is.
1Trede 1: ManipulatieKinderen worden ingezet zonder te begrijpen waar het om gaatGeen participatie
Kinderen worden ingezet voor de zaak van volwassenen. Ze weten niet waar het om gaat en horen nooit wat er met hun bijdrage gebeurt.
Voorbeeld
De kinderen schilderen posters voor een inzamelingsactie van de organisatie, zonder te weten waar het geld voor is.
Een trede hoger
Op trede 4 zouden de kinderen weten waar de actie voor is, wie ertoe besloot en waarom hun posters nodig zijn, en zouden ze vrij zijn om nee te zeggen.
Fig. 3De acht treden van participatie naar Hart (1992), ingedeeld in geen participatie, betrokkenheid en samen beslissen. De indeling in drie zones is een leeshulp van deze pagina.
Een activiteit plannen.
Neem een activiteit die u regelmatig met kinderen doet en loop haar ingrediënt voor ingrediënt door. Aan het eind krijgt u de ingevulde activiteitenplanner als pdf.
Om welke activiteit gaat het?
Blijft in uw browser; er wordt niets verstuurd.
Blijft in uw browser; er wordt niets verstuurd.
De weekcheck.
Vier vragen, één minuut. Wie ze één keer per week stelt, ziet al snel welk ingrediënt in de dagelijkse praktijk te weinig ruimte krijgt.
Week 43
Blijft in uw browser.
Duidelijke regels horen erbij.
Kansen en erkenning betekenen niet dat regels overbodig zijn. Kinderen hebben volwassenen nodig die zeggen wat er geldt en zich daar zelf aan houden. Het werkt goed om per activiteit een paar concrete regels af te spreken, ze vaak te benoemen en erop toe te zien dat ze worden nageleefd.
Wat er gebeurt als een regel wordt overtreden, is vooraf afgesproken en bij het kind bekend. Dat is het verschil tussen een consequentie en een straf: het kind heeft invloed op de afloop. En kinderen hebben veel meer feedback nodig dan volwassenen, ook als alles goed gaat.
Verankeren
De plek in het CTC-proces.
De Sociale Ontwikkelingsstrategie kan vanaf het begin in een CTC-proces worden ingebouwd. Ze begint bij het preventieteam zelf en bereikt via het preventieplan de organisaties in de gemeenschap.
Het bespreekt de persoonlijke plannen van de leden en verzamelt ideeën om het werk in de gemeenschap op gang te brengen. Een werkgroep neemt daar de verantwoordelijkheid voor en voegt bestaand aanbod dat de ontwikkeling van kinderen bevordert toe aan de inventarisatie van het aanbod.
Kinderopvang, scholen, verenigingen en andere organisaties leggen in het preventieplan vast dat ze de strategie in hun werk gebruiken. Voor elk van hen begint daarmee de route in negen stappen.
Fig. 4De Sociale Ontwikkelingsstrategie in de vijf fasen van Communities That Care.
Waarom training alleen niet genoeg is.
De strategie is snel begrepen, en juist daarom onderschatten mensen wat er nodig is om haar in de praktijk te brengen. Implementatieonderzoek laat zien dat een goede training op zichzelf weinig verandert aan gedrag. Het werkt wanneer vijf schakels samen een sluitende keten vormen. Ontbreekt er één, dan breekt de keten.
Alle vijf schakels houden stand. Zo bereikt de strategie de dagelijkse praktijk.
Negen stappen in een organisatie.
Heeft een organisatie zich in het preventieplan verbonden, dan begeleidt een trainer haar in negen stappen, van het eerste contact tot de jaarlijkse terugblik. De ervaring leert dat drie van die stappen bepalen of het lukt.
bepalend voor succes
1
Stap 1: De opdracht voorbereiden
Doel
De organisatie wijst een contactpersoon aan, en er wordt een eerste gesprek gepland.
Waarom
Zonder steun van de leiding bereikt de strategie de dagelijkse praktijk niet.
2
Stap 2: Het gesprek voorbereiden
Doel
Het materiaal klaarzetten, informatie over de organisatie inwinnen en nagaan of het om kinderopvang, een school of een vereniging gaat.
Waarom
Behoeften en omstandigheden verschillen, en een goede voorbereiding wekt vertrouwen.
3
Stap 3: De contactpersoon spreken · bepalend voor succes
Doel
Het gesprek aangaan en met het introductieplan rollen en verantwoordelijkheden afspreken.
Waarom
De contactpersoon neemt de verantwoordelijkheid voor de invoering op zich. Oprechte belangstelling voor diens ervaring levert meer op dan een kant-en-klaar formulier.
Het bijgewerkte introductieplan en het toegezegde materiaal toesturen.
Waarom
Dan staat zwart op wit wat er is afgesproken.
5
Stap 5: De training plannen
Doel
Materiaal, apparatuur en groepsindeling voorbereiden en de presentatie oefenen.
Waarom
Een zorgvuldig gegeven training is een van de voorwaarden voor een geslaagde invoering.
6
Stap 6: De training geven · bepalend voor succes
Doel
Medewerkers begrijpen de drie ingrediënten, schrijven een persoonlijk plan voor één kind en plannen in groepjes hoe de organisatie de strategie gaat gebruiken.
Waarom
Hier ontstaat de volgende stap, de eerste schakel van de keten.
7
Stap 7: Observaties vastleggen
Doel
Noteren wat goed ging en waar het lastig werd.
Waarom
De aantekeningen verbeteren de training en komen terug in het overleg van de trainers.
8
Stap 8: Opvolgen · bepalend voor succes
Doel
Met de contactpersoon nagaan of het introductieplan wordt gevolgd, en waar nodig ondersteuning bieden.
Waarom
Een geslaagde invoering staat of valt met het vragen naar resultaten. Loopt het proces vast, dan is dit het moment om bij te sturen.
9
Stap 9: De jaarlijkse terugblik
Doel
In het preventieteam brengen de organisaties samen wat gewerkt heeft en waar het vastzit.
Waarom
Goede voorbeelden worden zichtbaar, en dat houdt de motivatie ook na het eerste jaar vast.
1
Stap 1: De opdracht voorbereiden
Doel
De organisatie wijst een contactpersoon aan, en er wordt een eerste gesprek gepland.
Waarom
Zonder steun van de leiding bereikt de strategie de dagelijkse praktijk niet.
2
Stap 2: Het gesprek voorbereiden
Doel
Het materiaal klaarzetten, informatie over de organisatie inwinnen en nagaan of het om kinderopvang, een school of een vereniging gaat.
Waarom
Behoeften en omstandigheden verschillen, en een goede voorbereiding wekt vertrouwen.
3
Stap 3: De contactpersoon spreken · bepalend voor succes
Doel
Het gesprek aangaan en met het introductieplan rollen en verantwoordelijkheden afspreken.
Waarom
De contactpersoon neemt de verantwoordelijkheid voor de invoering op zich. Oprechte belangstelling voor diens ervaring levert meer op dan een kant-en-klaar formulier.
Het bijgewerkte introductieplan en het toegezegde materiaal toesturen.
Waarom
Dan staat zwart op wit wat er is afgesproken.
5
Stap 5: De training plannen
Doel
Materiaal, apparatuur en groepsindeling voorbereiden en de presentatie oefenen.
Waarom
Een zorgvuldig gegeven training is een van de voorwaarden voor een geslaagde invoering.
6
Stap 6: De training geven · bepalend voor succes
Doel
Medewerkers begrijpen de drie ingrediënten, schrijven een persoonlijk plan voor één kind en plannen in groepjes hoe de organisatie de strategie gaat gebruiken.
Waarom
Hier ontstaat de volgende stap, de eerste schakel van de keten.
7
Stap 7: Observaties vastleggen
Doel
Noteren wat goed ging en waar het lastig werd.
Waarom
De aantekeningen verbeteren de training en komen terug in het overleg van de trainers.
8
Stap 8: Opvolgen · bepalend voor succes
Doel
Met de contactpersoon nagaan of het introductieplan wordt gevolgd, en waar nodig ondersteuning bieden.
Waarom
Een geslaagde invoering staat of valt met het vragen naar resultaten. Loopt het proces vast, dan is dit het moment om bij te sturen.
9
Stap 9: De jaarlijkse terugblik
Doel
In het preventieteam brengen de organisaties samen wat gewerkt heeft en waar het vastzit.
Waarom
Goede voorbeelden worden zichtbaar, en dat houdt de motivatie ook na het eerste jaar vast.
De trainingen worden gegeven door professionals die zelf een training hebben gevolgd en een trainersopleiding hebben afgerond. Hun eerste trainingen geven ze samen met een ervaren trainer; daarna geven ze meerdere trainingen per jaar en nemen ze deel aan regelmatige terugkombijeenkomsten.
Wat het onderzoek laat zien.
De strategie berust op het Sociaal Ontwikkelingsmodel, een van de grondigst getoetste theorieën in het preventieonderzoek. In het Seattle Social Development Project werden leerkrachten, ouders en basisschoolkinderen volgens dit model getraind; op 21-jarige leeftijd deden de deelnemers het op school of werk en in hun psychische gezondheid duidelijk beter dan de , terwijl de verschillen in criminaliteit en middelengebruik kleiner waren. Het onderzoek was gecontroleerd, maar niet gerandomiseerd.
Voor Communities That Care als geheel vond het in 24 gemeenschappen in de Verenigde Staten minder probleemgedrag in de CTC-gemeenschappen. Die bevindingen gelden voor het systeem waar de strategie deel van uitmaakt, niet voor de strategie alleen. Hoeveel ze op zichzelf bijdraagt, is niet afzonderlijk onderzocht. Ook de ervaringen uit Malmö berusten op een ongecontroleerde evaluatie.
Seattle Social Development Project: Hawkins, J. D., Kosterman, R., Catalano, R. F., Hill, K. G., & Abbott, R. D. (2005). Promoting positive adult functioning through social development intervention in childhood: Long-term effects from the Seattle Social Development Project. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 159(1), 25–31. doi.org/10.1001/archpedi.159.1.25In de bibliotheek
Gerandomiseerd onderzoek naar CTC: Hawkins, J.D., Oesterle, S., Brown, E.C., Arthur, M.W., Abbott, R.D., Fagan, A.A., & Catalano, R.F. (2009). Results of a type 2 translational research trial to prevent adolescent drug use and delinquency: A test of Communities That Care. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 163(9), 789. doi.org/10.1001/archpediatrics.2009.141In de bibliotheek
De strategie in de praktijk: Haggerty, K. P., & McCowan, K. J. (2018). Using the Social Development Strategy to Unleash the Power of Prevention. Journal of the Society for Social Work and Research, 9(4), 741–763. doi.org/10.1086/700274In de bibliotheek
Participatieladder: Hart, R. A. (1992). Children's participation: From tokenism to citizenship (Innocenti Essays No. 4). UNICEF International Child Development Centre. eric.ed.gov/?id=ED359090In de bibliotheek
Het idee achter de strategie komt uit het Sociaal Ontwikkelingsmodel van Hawkins en Catalano. Deze pagina en de werkbladen zijn nieuw ontwikkeld door de FINDER Akademie, naar aanleiding van het trainingsmateriaal dat Birgitta Månsson en Sara Heide voor CTC in Zweden schreven. Beiden zitten in het bestuur van Prevention Sverige (opent in een nieuw venster), het Zweedse instituut voor toegepaste preventiewetenschap.
De werkbladen.
Vier sjablonen voor het werk in organisaties, om te printen of als pdf. De activiteitenplanner en het weeklogboek kunt u ook hier op de pagina invullen.
Vier vragen per week, in een minuut aangevinkt. Na een paar weken wordt duidelijk welk ingrediënt in de dagelijkse praktijk te weinig ruimte krijgt.
Iedereen die regelmatig met kinderen werkt
Ook beschikbaar als online weekcheck
Werkblad openen
Zakkaart
De Sociale OntwikkelingsstrategieHet recept
1Kansenkansen om mee te doen+
2Vaardighedenlaten zien hoe het moet+
3Erkenningconcreet en persoonlijk=
4Bindinghechting aan de groep
5Duidelijke normenbijvoorbeeld: Ieder mens is evenveel waard · Met respect met elkaar omgaan · Elkaar helpen · Conflicten zonder geweld oplossen · Meepraten en andere meningen laten meetellen · Verantwoordelijkheid nemen
Binding groeit in het dagelijks leven, ontmoeting na ontmoeting.
Eén keer per weekMijn weekcheck
Heb ik de kinderen betrokken?
Heb ik laten zien hoe iets moet, zodat het ze kon lukken?
Kregen de kinderen concrete, persoonlijke erkenning?
Heb ik gezegd en laten zien wat we belangrijk vinden?
Meer over de strategie en alle werkbladen: communities-that-care.eu
Vier kaarten per vel, het recept op de voorkant, de weekcheck op de achterkant. Dubbelzijdig printen en langs de snijtekens knippen.
Voor trainingen en voor in de badgehouder van medewerkers
Werkblad openen
Het volledige trainingsmateriaal, met de handleiding voor trainers, presentaties en posters, krijgen deelnemers tijdens de training. Vraag naar trainingen in uw land
Is de Sociale Ontwikkelingsstrategie een zelfstandig preventieprogramma?
Nee. De strategie is een werkwijze met een eenvoudig patroon dat volwassenen inbouwen in wat ze al doen: kinderen betrekken, ze de vaardigheden meegeven die ze nodig hebben en hun inzet erkennen. Er hoort geen vaste handleiding bij, geen vast aantal bijeenkomsten en geen eigen doelgroep, en daarom staat ze ook niet in interventiedatabanken.
In het CTC-proces vult ze de programma’s aan die een gemeenschap kiest voor haar prioritaire . De programma’s werken aan specifieke doelen; de strategie zorgt ervoor dat het dagelijks leven in kinderopvang, school, vereniging en wijk dezelfde kant op wijst. Het preventieplan bevat beide.
Voor welke leeftijden is de Sociale Ontwikkelingsstrategie geschikt?
Voor elke leeftijd. De drie ingrediënten gelden net zo goed voor de vierjarige die helpt de tafel te dekken als voor de tiener die bij de sportclub jongere kinderen traint. Wat met de leeftijd verandert, is de vorm: hoeveel inspraak een kind aankan, welke vaardigheden het nog moet leren en welke erkenning het als oprecht ervaart.
De training wordt daarom meestal apart afgestemd op de kinderopvang en op scholen. De participatieladder helpt inschatten welke mate van betrokkenheid bij een leeftijdsgroep past.
Wie traint de organisaties, en wat hebben ze nodig?
De trainingen worden gegeven door professionals die zelf getraind zijn en een trainersopleiding hebben afgerond. Hun eerste trainingen geven ze samen met een ervaren trainer; daarna trainen ze regelmatig en volgen ze terugkombijeenkomsten, zodat de kwaliteit in alle organisaties gelijk is.
Een organisatie heeft vooral een contactpersoon nodig met de steun van de leiding. Met die persoon spreekt de trainer aan de hand van het introductieplan af wie meedoet, hoe het werk aansluit bij bestaande routines en wie de opvolging doet. Een training duurt meestal tweeënhalf tot drie uur, de korte versie ongeveer 45 minuten.
Hoe kan een gemeenschap zien of de strategie werkt?
Op korte termijn aan de uitvoering: plannen organisaties hun activiteiten met de drie ingrediënten, houden medewerkers het weeklogboek bij, brengen de organisaties verslag uit bij de jaarlijkse terugblik? Het kan die vragen zelf beantwoorden.
Op lange termijn laat de het zien. Die meet onder meer of jongeren in hun gezin en op school kansen op betrokkenheid ervaren, en erkenning daarvoor. Dat zijn precies de die de strategie wil versterken. Veranderingen worden zichtbaar over meerdere enquêtes heen, niet na één jaar.
Rollen, stappen en mijlpalen van het eerste gesprek tot het preventieplan.
Lees meer
Databank
Blueprints for Healthy Youth Development
De Amerikaanse databank van geteste programma’s voor kinderen en jongeren, beheerd door het Institute of Behavioral Science van de University of Colorado Boulder. Ze certificeert op drie niveaus. Promising vraagt om één gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek of twee quasi-experimentele evaluaties, met een consistent positief effect en geen aanwijzingen voor schade. Model voegt een tweede hoogwaardig onderzoek toe en ten minste één follow-up twaalf maanden of langer na afloop van de interventie. Model Plus voegt een replicatie toe die is uitgevoerd door onderzoekers van buiten het team van de ontwikkelaar. Dit zijn de bewijsnormen die de CTC European Network review toepaste bij de beoordeling van Europese programma’s voor Xchange.
Een observationele opzet: een groep wordt in de tijd gevolgd en pas achteraf onderverdeeld naar wie het programma kreeg en wie niet; niemand wordt toegewezen. Een prospectief cohort begint de waarneming in het heden en loopt door naar de toekomst, een retrospectief cohort werkt een reeks gebeurtenissen na die al heeft plaatsgevonden. Omdat de groepen vanaf het begin kunnen verschillen, blijft het risico op verborgen verstorende factoren hoger dan bij een gerandomiseerd onderzoek.
Het werkorgaan van een CTC-proces: professionals die scholen, jongerencentra, gezinsvoorzieningen en verenigingen leiden, samen met bewoners en, idealiter, jongeren zelf. Het preventieteam leest het wijkprofiel, stelt prioriteiten en kiest de programma’s. Het staat los van de groep sleutelfiguren, die het mandaat en de middelen levert. In de Verenigde Staten community board genoemd, in Nederland preventieteam en in Duitsland Gebietsteam.
De traditie in het sociaal werk om bewoners en lokale instellingen in staat te stellen hun eigen behoeften te benoemen en daarnaar te handelen, in plaats van diensten aangeleverd te krijgen. De auteurs van CTC plaatsen de aanpak uitdrukkelijk in deze traditie: de gemeenschap verzamelt haar eigen gegevens, stelt haar eigen prioriteiten en is eigenaar van haar eigen plan. In het Engels community organising, in het Nederlands ook samenlevingsopbouw, in het Duits Gemeinwesenarbeit.
Het gerandomiseerde gecontroleerde onderzoek dat de evidentie voor CTC heeft gevestigd. Het begon in 2003, koppelde 24 kleine plaatsen in zeven Amerikaanse staten in paren en wees van elk paar er willekeurig één aan voor CTC; het volgde meer dan 4.400 jongeren van hun tiende tot in de volwassenheid. Jongeren in CTC-plaatsen begonnen later met middelengebruik, vertoonden minder delinquentie en geweld, en de verschillen hielden stand tot 21-jarige leeftijd.
Hoe zeker een uitspraak over een effect is, niet hoe groot het effect uiteindelijk blijkt. GRADE omschrijft dit als het vertrouwen in een schatting van een effect en gradeert het naar hoe waarschijnlijk het is dat verder onderzoek dat vertrouwen nog verandert. De Green List Prevention beoordeelt de bewijskracht los van de onderzoeksopzet en laat haar afhangen van groepsgroottes, het aantal studies en de aanwezigheid van bevindingen uit het Duitse taalgebied.
De groep die het programma niet krijgt en zo laat zien hoe de deelnemers zich vermoedelijk zonder het programma hadden ontwikkeld. Die maatstaf is nooit rechtstreeks waarneembaar, alleen te schatten; het effect is het verschil tussen wat er gebeurde en wat er zonder de maatregel zou zijn gebeurd. Zonder vergelijkingsgroep blijft onduidelijk of een verandering aan het programma ligt, of aan rijping, eerdere ervaringen en gelijktijdige invloeden.
Vier niveaus in plaats van de tweedeling effectief-niet effectief: een programma wordt eerst alleen beschreven, vervolgens theoretisch onderbouwd, dan ondersteund door eerste aanwijzingen uit de praktijk, en ten slotte door causaal bewijs. Hoe lager het niveau, hoe vrijer de onderzoeksopzet mag worden gekozen; voor een causale uitspraak komen alleen daarvoor geschikte opzetten in aanmerking. Het beoordelingsschema van de Green List Prevention volgt dit model.
Een maat voor hoe groot een verschil is, onafhankelijk van de omvang van de steekproef. In de preventie is Cohen’s d de gebruikelijke maat: het verschil tussen de gemiddelden, gedeeld door de spreiding. Anders dan een p-waarde zegt een effectgrootte iets over de omvang van een effect en maakt ze studies onderling vergelijkbaar; de Green List Prevention vraagt er daarom om bij studies met een controlegroep.
Een herhaalde meting die wordt afgenomen nadat een programma is afgelopen. Ze laat zien of een effect beklijft, of alleen zichtbaar was zolang de maatregel liep. De standaarden van de Society for Prevention Research vragen om ten minste één langetermijnmeting op een redelijke afstand van het einde van de interventie en beschouwen zes maanden als het verstandige minimum; de Green List Prevention hanteert hetzelfde interval en verwacht dat ten minste één positief effect tegen die tijd nog aanwezig is.
De online databank van op effectiviteit getoetste preventieprogramma’s, beheerd door de Landespräventionsrat Niedersachsen, de raad voor criminaliteitspreventie van de deelstaat Nedersaksen, met de risico- en beschermende factoren waarop elk programma aangrijpt. Duitse CTC-gemeenschappen kiezen er in fase vier geteste programma’s uit. De databank is alleen in het Duits beschikbaar.
De mensen in een gemeenschap die budgetten beheren, beleid vormgeven en hun organisatie kunnen binden: de burgemeester of het hoofd van het lokale bestuur, het hoofd van de politie, het hoofd van de onderwijsadministratie, en leiders uit de gezondheidszorg, het bedrijfsleven, geloofsgemeenschappen en de media. Zij geven het CTC-proces zijn mandaat en zijn middelen, zij stellen het preventieteam samen en houden dat team en de coördinator verantwoordelijk, en zij houden het werk in stand voorbij een enkele financieringsronde. De taakverdeling is het punt: het preventieteam doet de analyse, de prioritering en de planning, de sleutelfiguren maken dat werk mogelijk en handelen naar wat het aanbeveelt.
Een programma is gemanualiseerd wanneer een schriftelijke richtlijn voor het handelen vastlegt wat er wanneer en met wie gebeurt; alleen dat maakt het elders herhaalbaar en toetsbaar. Hoe nauwgezet de richtlijn wordt gevolgd, is mede bepalend voor het succes: een overzichtsstudie van bijna 500 studies vond effecten die ten minste twee tot drie keer zo groot waren waar de uitvoering zorgvuldig gebeurde. De Green List Prevention vraagt daarom om beschikbare handleidingen, training en instrumenten voor kwaliteitsborging.
De statistische samenvoeging van de resultaten van meerdere studies naar dezelfde vraag tot één gepoolde schatting; Gene Glass introduceerde de term in 1976 voor de analyse van een grote verzameling resultaten uit afzonderlijke studies. Elke studie krijgt een gewicht, doorgaans naar hoe precies zij heeft gemeten, en het resultaat wordt gerapporteerd met een betrouwbaarheidsinterval en met een maat voor hoe sterk de studies onderling verschillen. Een meta-analyse kan de studies die ze samenvoegt niet herstellen: waar het primaire bewijs dun, eenzijdig of uit een andere setting afkomstig is, erft de gepoolde uitkomst dat alles.
De geografische eenheid waarin een CTC-proces werkt. Geen bestuurlijke grens, maar het gebied waarvan de bewoners scholen, voorzieningen en het dagelijks leven delen en waarvan de professionals elkaar kennen. Een goede keuze is belangrijk: het gebied van de jongerenenquête en het actiegebied moeten samenvallen, anders werkt de coalitie met een profiel waarin het gebied zichzelf niet herkent. In het Duits Sozialraum.
Een benadering die de adolescentie ziet als een periode van groei die ondersteund moet worden, en niet als een reeks problemen die voorkomen moeten worden, en die werkt aan competentie, zelfvertrouwen, verbondenheid, karakter en bijdrage. Zij deelt haar theoretische wortels met CTC in het Sociaal Ontwikkelingsmodel, en de nadruk die CTC legt op beschermende factoren is waar de twee elkaar ontmoeten.
Het aandeel van een populatie dat op een bepaald moment of binnen een bepaalde periode een kenmerk vertoont, bijvoorbeeld het aandeel vijftienjarigen dat de afgelopen dertig dagen alcohol heeft gedronken. Prevalentie telt de bestaande gevallen, en hangt dus af van zowel het aantal nieuwe gevallen als van hoe lang elk geval duurt; incidentie telt alleen de nieuwe gevallen in een periode. Een maatregel die een episode verkort, verlaagt de prevalentie zonder de incidentie te veranderen, en dat is waarom preventiestudies de twee apart rapporteren.
Een indeling naar doelgroep, niet naar tijdstip. Universele aanbiedingen richten zich op een hele populatie zonder dat bij een individu risico is vastgesteld; selectieve aanbiedingen richten zich op subgroepen met een duidelijk bovengemiddeld risico; geïndiceerde aanbiedingen richten zich op individuele jongeren met eerste signalen die nog geen diagnose rechtvaardigen. CTC werkt universeel en selectief.
Een indeling naar het moment waarop wordt ingegrepen. Primaire preventie grijpt in voordat een stoornis optreedt en verlaagt het aantal nieuwe gevallen; secundaire preventie verkort een reeds begonnen verloop, door vroege signalering en behandeling; tertiaire preventie vermindert de beperkingen die een stoornis achterlaat. Alleen primaire en secundaire preventieprogramma’s komen in de Green List Prevention terecht, omdat dat aansluit bij de richting van CTC.
Omstandigheden die de kans op probleemgedrag verkleinen en een gezonde ontwikkeling bevorderen: sterke banden met gezin, school en gemeenschap, duidelijke normen, kansen om bij te dragen, de vaardigheden om die te benutten en erkenning voor wie dat doet. In het Sociaal Ontwikkelingsmodel zijn zij datgene waaruit binding is opgebouwd. Bescherming versterken telt in CTC net zo zwaar als risico’s verminderen.
Een opzet met een vergelijkingsgroep maar zonder willekeurige toewijzing: wie het programma krijgt, volgt uit de praktijk. In het veld is dit vaak de enige werkbare optie, maar het vraagt om extra voorzorgen zoals meerdere meetmomenten, statistische controle of een gefaseerde invoering, omdat de programma- en vergelijkingsgroep systematisch kunnen verschillen.
Een studie waarin deelnemers willekeurig worden toegewezen aan het programma of aan de vergelijkingsconditie. Omdat het toeval de groepen gemiddeld vergelijkbaar maakt, is een verschil aan het eind eerder toe te schrijven aan het programma dan aan reeds bestaande verschillen. De standaarden van de Society for Prevention Research vragen, voor een uitspraak over werkzaamheid, om ten minste twee methodologisch degelijke studies met consistent positieve bevindingen en ten minste één significante langetermijnmeting.
Omstandigheden in het gezin, op school, in de vriendengroep of in de buurt van een jongere die de kans op probleemgedrag vergroten, zoals middelengebruik, geweld, criminaliteit of voortijdig schoolverlaten. Veel ervan werken op meerdere uitkomsten tegelijk. CTC meet ze lokaal met de jongerenenquête en vraagt de gemeenschap prioriteit te geven aan de factoren die het sterkst verhoogd zijn.
De vraag van Aaron Antonovsky wat mensen gezond houdt, in plaats van wat hen ziek maakt. Het centrale idee ervan, een gevoel van samenhang (sense of coherence) dat is opgebouwd uit begrijpelijkheid, hanteerbaarheid en zinvolheid, komt nauw overeen met de beschermende factoren waarmee CTC werkt. De term wordt veel gebruikt in de Europese gezondheidsbevordering en minder in de Amerikaanse preventieliteratuur.
De ontwikkelingstheorie achter CTC, geformuleerd door Richard F. Catalano en J. David Hawkins. Zij stelt dat jongeren zich binden aan de sociale eenheden, prosociaal of antisociaal, die hun kansen bieden, de vaardigheden om die te benutten en erkenning voor wie dat doet, en dat zij vervolgens de normen van die eenheden overnemen. Preventie betekent daarom die drie voorwaarden scheppen in gezin, school en gemeenschap. De Sociale Ontwikkelingsstrategie is de praktische vorm ervan.
Een bevinding heet significant wanneer de data voldoende onwaarschijnlijk zouden zijn onder de aanname dat er geen verschil bestaat; de gebruikelijke drempel is vijf procent. De American Statistical Association wijst erop dat een p-waarde noch de omvang van een effect, noch het belang van een resultaat meet, en dat wetenschappelijke of beleidsconclusies niet mogen afhangen van of zij onder een drempelwaarde blijft.
Een uitgeschreven veronderstelling over hoe een programma werkt: welke stappen van de maatregel via tussenliggende uitkomsten naar het beoogde doel leiden, en aan welke voorwaarden onderweg moet zijn voldaan. Ze wordt vóór de uitvoering samen met de betrokkenen ontwikkeld, en legt vast wat later zal worden gemeten. In de Green List Prevention telt een veranderingstheorie-onderzoek als evaluatieniveau van één ster: het toetst de veronderstelde effectketen, niet het effect tegenover een controlegroep.
De vraag of een elders ontwikkeld programma ook hier werkt. Er bestaat een spanning tussen getrouwheid en passendheid: een starre overname mist de doelgroep, een vrije aanpassing kan precies de ingrediënten wegnemen die werkten, en die balans is alleen bewust en met verantwoording te vinden. De Green List Prevention gradeert de overdraagbaarheid naar het aantal studies uit het Duitse taalgebied, in vier stappen van aangetoond tot onduidelijk.
De gestandaardiseerde, anonieme vragenlijst die een CTC-gemeenschap aan scholieren voorlegt, doorgaans tussen elf en zeventien jaar oud, om de risico- en beschermende factoren in haar eigen buurten te meten. Antwoorden worden gerapporteerd per gebied of leerjaar, nooit per individu of klas, en het profiel dat daaruit ontstaat, is wat fase drie omzet in een korte lijst van prioriteiten. Nationale aanpassingen vertalen de schalen, laten items vervallen die niet van toepassing zijn en toetsen ze opnieuw: de Duitse versie werd bevestigd als grotendeels eendimensionaal en valide tegenover gerapporteerd geweld, criminaliteit, middelengebruik en depressieve symptomen.