Naar de inhoud
Bevordering van gezonde ontwikkeling · In de praktijk

De Sociale Ontwikkelingsstrategie in het dagelijks leven.

Niemand kan alles voor een kind doen, maar iedere volwassene die een kind tegenkomt, kan iets bijdragen. De Sociale Ontwikkelingsstrategie beschrijft waar het om draait: kinderen hebben kansen nodig om mee te doen, de vaardigheden om die kansen te benutten en erkenning voor hun inzet. Deze pagina laat zien hoe dat er in de dagelijkse praktijk uitziet en hoe een CTC-gemeenschap de strategie in haar organisaties kan verankeren.

AI-gegenereerde foto

Begrijpen

Het recept.

Kinderen nemen de waarden over van de mensen aan wie ze gehecht zijn, want een kind wil de relatie met iemand die belangrijk voor het is niet op het spel zetten. Hechting laat zich niet afdwingen, maar ze groeit betrouwbaar wanneer drie dingen samenkomen. Om daar gedeelde normen uit te laten ontstaan, zeggen volwassenen wat ze belangrijk vinden en leven ze daar zelf naar.

  1. KansenKansen om mee te doen en bij te dragen
  2. VaardighedenHet vermogen om de kans goed te benutten
  3. ErkenningConcrete feedback op inzet en vooruitgang
  4. BindingHechting aan de mensen die dit alles bieden
  5. Duidelijke normenWaarden die de groep deelt en naleeft

BijvoorbeeldIeder mens is evenveel waardMet respect met elkaar omgaanElkaar helpenConflicten zonder geweld oplossenMeepraten en andere meningen laten meetellenVerantwoordelijkheid nemenWaar deze waarden bij aansluiten

Zo zien echte kansen eruit

Het kind heeft een echte taak die voor anderen verschil maakt, en inspraak in zaken die het aangaan. De taak past bij de leeftijd en de rijpheid van het kind.

Veelgemaakte fout: Kansen betekenen niet dat kinderen alles beslissen. Volwassenen bepalen de kaders en luisteren daarbinnen.

Zo ziet het aanleren van vaardigheden eruit

Voordat een kind een taak op zich neemt, laat iemand zien hoe het moet, deelt het op in stappen en oefent het samen met het kind. Het kind merkt dat het de taak aankan.

Veelgemaakte fout: Een taak zonder de vaardigheden om haar uit te voeren is geen kans maar een valkuil. Een kind dat faalt omdat niemand liet zien hoe het moet, trekt zich terug.

Zo ziet goede erkenning eruit

De feedback benoemt wat het kind deed, komt kort daarna en gaat over de inzet, niet alleen over het resultaat. Ook een begroeting, een briefje op het prikbord of een zin in de nieuwsbrief aan ouders kan erkenning zijn.

Veelgemaakte fout: Een algemeen ‘goed gedaan’ voor iedereen bereikt niemand. Erkenning werkt wanneer het individuele kind merkt dat ze voor hem of haar bedoeld is.

Fig. 1Het recept van de Sociale Ontwikkelingsstrategie: drie ingrediënten die samen binding creëren, waaruit de bereidheid groeit om duidelijke, gedeelde normen over te nemen.

Waarom deze keten werkt en hoe ze is onderzocht: Het Sociaal Ontwikkelingsmodel →

Het recept werkt twee kanten op.

De drie ingrediënten zijn niet voorbehouden aan goede bedoelingen. Wie een kind voor zich wil winnen, geeft het een taak, leert het hoe dat moet en waardeert het ervoor. Sportclubs en scholen doen dat, maar ook een vriendengroep waarin roken of vapen erbij hoort.

Bij de sportclub

  1. Kansen: Het twaalfjarige meisje mag helpen bij de training van de jongste jeugd.
  2. Vaardigheden: De trainer laat haar zien hoe je een oefening uitlegt.
  3. Erkenning: Waar het hele team bij is, zegt hij wat ze goed deed.

NormenZe neemt de regels van de club over: eerlijk spelen, op tijd komen, op de kleintjes letten.

In de vriendengroep

  1. Kansen: Na school mag het twaalfjarige meisje met de ouderen mee achter de gymzaal.
  2. Vaardigheden: Een vriendin laat haar zien hoe ze een vape gebruikt zonder te hoesten.
  3. Erkenning: De anderen juichen omdat ze meedoet. Nu hoort ze erbij.

NormenZe neemt de regels van de groep over: vapen is normaal, en de volwassenen hoeven het niet te weten.

Waar het dus om gaat, is wie de ingrediënten levert. Hoe meer volwassenen in een gemeenschap bewust kansen, vaardigheden en erkenning bieden, hoe meer groepen met gezonde normen een kind heeft om zich aan te hechten.

Voorbeelden van gedeelde waarden.

De negen waarden hier zijn voorbeelden, geen volledige lijst. Over een aantal ervan valt niet te onderhandelen: waardigheid, gelijkwaardigheid en bescherming tegen discriminatie gelden voor ieder kind volgens het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), dat alle Europese landen hebben geratificeerd, en ze behoren tot de waarden waarop de Europese Unie berust (artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). Welke andere waarden een gemeenschap of organisatie centraal stelt, bepaalt zij zelf. Scholen en jeugdvoorzieningen hebben nu al de opdracht om waarden over te dragen: het verdrag legt in artikel 29 de doelen van het onderwijs vast, en het referentiekader van de Raad van Europa voor competenties voor een democratische cultuur (RFCDC) beschrijft de waarden, houdingen en vaardigheden waarop democratisch burgerschapsonderwijs voortbouwt.

  • Ieder mens is evenveel waardIVRK art. 2Art. 2 VEU
  • Niemand wordt buitengeslotenIVRK art. 2Art. 2 VEU
  • Met respect met elkaar omgaanIVRK art. 29RFCDC: respect
  • Elkaar helpenIVRK art. 29RFCDC: burgerzin
  • Conflicten zonder geweld oplossenIVRK art. 29RFCDC: conflictoplossing
  • Meepraten en andere meningen laten meetellenIVRK art. 12IVRK art. 13
  • Samen regels afspreken en nalevenIVRK art. 29RFCDC: waarde hechten aan democratie
  • Verantwoordelijkheid nemenIVRK art. 29RFCDC: verantwoordelijkheid
  • Zorgen voor de natuur en voor spullenIVRK art. 29

De verwijzingen zijn aanknopingspunten, geen citaten: geen enkel artikel vraagt letterlijk van kinderen dat ze ‘elkaar helpen’, maar elk beschrijft het doel waaraan de waarde bijdraagt.

Waar de strategie past.

De ordenen het aanbod naar het risico van de groep waarop het zich richt. De Sociale Ontwikkelingsstrategie ligt daaronder: het is bevordering van gezonde ontwikkeling voor alle kinderen, ongeacht hun risico.

De preventiedriehoek met drie niveaus, rustend op een sokkel met het opschrift bevordering van gezonde ontwikkelingBevordering van gezonde ontwikkeling
Geïndiceerde preventie
Voor wie al eerste signalen van problemen laat zien.
Selectieve preventie
Voor groepen met een verhoogd risico.
Universele preventie
Voor een hele leeftijdsgroep of school.
Bevordering van gezonde ontwikkeling
Versterkt het welzijn en de ontwikkeling van alle kinderen in het dagelijks leven, zonder gekoppeld te zijn aan een risico. In de publieke gezondheidszorg heet dit veld gezondheidsbevordering. Hier ligt de Sociale Ontwikkelingsstrategie.
Fig. 2Preventieniveaus naar het risico van de doelgroep, en daaronder bevordering van gezonde ontwikkeling voor alle kinderen.

De strategie is dus geen programma dat een bewezen effectief programma uit een interventiedatabank vervangt. De programma’s richten zich op de prioritaire risicofactoren van een gemeenschap; de strategie zorgt ervoor dat ook het dagelijks leven tussen de programma’s door binding versterkt. Het preventieplan bevat beide, naast elkaar.

Toepassen

De ingrediënten in het dagelijks leven.

De strategie vraagt geen nieuw aanbod. Ze begint bij wat er toch al gebeurt: aan tafel, bij het huiswerk, bij het voorlezen. Kies een situatie en kijk waar de drie ingrediënten een plek krijgen.

Samen eten

Kinderopvang en bso
  1. Kansen

    De kinderen dekken om de beurt de tafel, scheppen zelf op en beslissen één keer per week mee over wat er op het menu staat.

  2. Vaardigheden

    Een pedagogisch medewerker laat zien hoe je een schaal veilig draagt en een portie inschat, en oefent dat met de nieuwe kinderen voordat ze het zelf doen.

  3. Erkenning

    Na het eten zegt ze wat haar opviel: ‘Jij hebt vandaag aan iedereen gedacht, ook aan Mila, die later kwam.’

Deze situatie zelf plannen →

Huiswerkbegeleiding

Bso, school, jongerenwerk
  1. Kansen

    Oudere kinderen leggen jongere kinderen een opdracht uit die ze zelf al goed beheersen.

  2. Vaardigheden

    De begeleider laat zien hoe je uitlegt zonder het antwoord voor te zeggen: een vraag stellen, een hint geven, wachten.

  3. Erkenning

    Ze noteert wie wie heeft geholpen en vertelt dat als ze de ouders spreekt.

Deze situatie zelf plannen →

Opschoondag in de wijk

Wijk, opbouwwerk
  1. Kansen

    De kinderen kiezen de plek waar ze zich het meest aan ergeren en plannen mee wie welk stuk doet.

  2. Vaardigheden

    Vooraf leren ze hoe je zwerfafval veilig opraapt en scheidt, en wat je beter kunt laten liggen.

  3. Erkenning

    De woningcorporatie hangt in het trappenhuis een foto op met een bedankje, waarop de kinderen die meededen bij naam worden genoemd.

Deze situatie zelf plannen →

Het eerste bibliotheekpasje

Openbare bibliotheek
  1. Kansen

    Het kind vult het formulier zelf in en kiest zelf het eerste boek.

  2. Vaardigheden

    De bibliothecaris laat zien hoe je in de catalogus zoekt, een boek leent en de uitleentermijn verlengt.

  3. Erkenning

    Bij het volgende bezoek herkent ze het kind en vraagt ze hoe het boek was.

Deze situatie zelf plannen →

Spelen in de pauze

Basisschool
  1. Kansen

    Pleinhelpers uit groep 6 delen het speelmateriaal uit en leiden een spel voor de jongere kinderen.

  2. Vaardigheden

    Een leerkracht oefent met hen hoe je spelregels uitlegt en hoe je een ruzie sust voordat die uit de hand loopt.

  3. Erkenning

    Bij de weekopening stelt de directeur de pleinhelpers voor en vertelt wat er die week goed ging.

Deze situatie zelf plannen →

Voorlezen

Gezin, kinderopvang, bibliotheek
  1. Kansen

    Het kind kiest het boek, slaat de bladzijden om en vertelt hoe het verhaal verder zou kunnen gaan.

  2. Vaardigheden

    De volwassenen wijzen woorden en plaatjes aan, stellen vragen en laten het kind losse woorden lezen.

  3. Erkenning

    Ze prijzen het kind niet omdat het stil zat, maar om het idee: ‘Daar was ik zelf nooit op gekomen.’

Deze situatie zelf plannen →

Hoeveel participatie is het echt?

Niet alles wat op participatie lijkt, is ook participatie. De participatieladder van Hart onderscheidt acht treden. Bij de onderste drie doen kinderen alleen in naam mee; echte participatie begint bij de vierde. Kies een trede om te zien wat ze inhoudt en hoe de volgende trede eruit zou zien.

  1. Trede 8: Door kinderen gestart, samen met volwassenen beslistKinderen nemen het initiatief en halen bewust volwassenen erbijSamen beslissen

    Kinderen en jongeren starten een project en halen bewust volwassenen erbij om gebruik te maken van hun ervaring en invloed. Beslissingen worden samen genomen.

    Voorbeeld

    Jongeren willen een voetbalveldje in hun wijk, nodigen de gemeenteraad uit en onderhandelen met de raad over de plek en de regels.

    Kinderen hoeven niet altijd bovenaan de ladder te werken. Hart benadrukt zelf dat het om de keuze gaat: een activiteit moet elk kind de hoogste trede bieden die op dat moment bij het kind past.

    Link naar deze trede
  2. Trede 7: Door kinderen gestart en geleidKinderen hebben het idee en voeren het zelf uitSamen beslissen

    Kinderen en jongeren hebben het idee en voeren het zelf uit. Volwassenen ondersteunen hen zonder de richting te bepalen.

    Voorbeeld

    Een groep zet een speelgoedruilbeurs op; de jongerenwerker regelt de ruimte en helpt als daarom wordt gevraagd.

    Een trede hoger

    Op trede 8 zou de groep bewust volwassenen erbij halen, bijvoorbeeld om de ruilbeurs in de hele wijk bekend te maken, en samen met hen beslissen.

    Link naar deze trede
  3. Trede 6: Door volwassenen gestart, samen met kinderen beslistHet idee komt van volwassenen, er wordt samen beslotenSamen beslissen

    Volwassenen brengen het idee in; beslissingen worden samen met de kinderen en jongeren genomen.

    Voorbeeld

    Het jongerencentrum maakt zijn zomerprogramma in een groep waarin jongeren en medewerkers evenveel te zeggen hebben.

    Een trede hoger

    Op trede 7 zouden de jongeren eigen programmaonderdelen voorstellen en die zelf uitvoeren, met de medewerkers op de achtergrond.

    Link naar deze trede
  4. Trede 5: Geraadpleegd en geïnformeerdKinderen worden echt gevraagd en horen wat er daarna gebeurtBetrokkenheid

    Het project is van de volwassenen, maar de kinderen worden echt om hun mening gevraagd, begrijpen het proces en horen wat er met hun antwoorden gebeurt.

    Voorbeeld

    De school vraagt elke klas hoe het schoolplein opnieuw ingericht moet worden, en legt daarna uit welke voorstellen worden uitgevoerd en waarom andere niet.

    Een trede hoger

    Op trede 6 zouden leerlingen in de ontwerpgroep zitten en meebeslissen over de nieuwe inrichting.

    Link naar deze trede
  5. Trede 4: Toegewezen, maar geïnformeerdVolwassenen wijzen de rol toe, kinderen begrijpen en kiezen dieBetrokkenheid

    Volwassenen wijzen de rol toe. Maar de kinderen weten waar het om gaat, wie besloot en waarom; ze hebben een echte taak en doen vrijwillig mee.

    Voorbeeld

    Oudere kinderen verwelkomen de gasten op het zomerfeest en wijzen ze de weg. Ze weten waarom dat belangrijk is en hadden nee kunnen zeggen.

    Een trede hoger

    Op trede 5 zou de organisatie de kinderen vooraf vragen hoe het feest moet verlopen, en ze achteraf laten zien welke ideeën zijn overgenomen.

    Link naar deze trede
  6. Trede 3: SchijnparticipatieKinderen lijken een stem te hebben, maar zonder invloedGeen participatie

    Kinderen lijken inspraak te hebben, maar hebben geen invloed op het onderwerp of de uitkomst. Vaak zijn ze door volwassenen uitgekozen en spreken ze alleen voor zichzelf.

    Voorbeeld

    Twee uitgekozen kinderen zitten in het panel op een preventiecongres en lezen een welkomstwoord voor dat volwassenen voor hen hebben geschreven.

    Een trede hoger

    Op trede 5 zouden de kinderen eerst meningen in hun klas ophalen, die in het panel presenteren en later horen wat ermee is gedaan.

    Link naar deze trede
  7. Trede 2: DecoratieKinderen sieren een evenement op zonder het mee vorm te gevenGeen participatie

    Kinderen zijn er om een gelegenheid kleur te geven: ze zingen, dragen de T-shirts, staan op de foto. Niemand beweert dat ze het mee hebben vormgegeven, maar niemand legt ze ook iets uit.

    Voorbeeld

    Op het buurtfeest treedt de kindergroep op omdat dat leuk staat, en wordt daarna weer weggestuurd.

    Een trede hoger

    Op trede 4 zou de groep een echte taak op het feest hebben, zoals de gasten verwelkomen, en zou ze weten waarom die nodig is.

    Link naar deze trede
  8. Trede 1: ManipulatieKinderen worden ingezet zonder te begrijpen waar het om gaatGeen participatie

    Kinderen worden ingezet voor de zaak van volwassenen. Ze weten niet waar het om gaat en horen nooit wat er met hun bijdrage gebeurt.

    Voorbeeld

    De kinderen schilderen posters voor een inzamelingsactie van de organisatie, zonder te weten waar het geld voor is.

    Een trede hoger

    Op trede 4 zouden de kinderen weten waar de actie voor is, wie ertoe besloot en waarom hun posters nodig zijn, en zouden ze vrij zijn om nee te zeggen.

    Link naar deze trede
Fig. 3De acht treden van participatie naar Hart (1992), ingedeeld in geen participatie, betrokkenheid en samen beslissen. De indeling in drie zones is een leeshulp van deze pagina.

Een activiteit plannen.

Neem een activiteit die u regelmatig met kinderen doet en loop haar ingrediënt voor ingrediënt door. Aan het eind krijgt u de ingevulde activiteitenplanner als pdf.

Om welke activiteit gaat het?

Beginnen met een voorbeeld als hulptekst?

Het voorbeeld vult niets in. Het verschijnt alleen als grijze hulptekst in de velden.

Blijft in uw browser; er wordt niets verstuurd.

De weekcheck.

Vier vragen, één minuut. Wie ze één keer per week stelt, ziet al snel welk ingrediënt in de dagelijkse praktijk te weinig ruimte krijgt.

Week 43

Blijft in uw browser.

  1. Heb ik de kinderen betrokken?
  2. Heb ik laten zien hoe iets moet, zodat het ze kon lukken?
  3. Kregen de kinderen concrete, persoonlijke erkenning?
  4. Heb ik gezegd en laten zien wat we belangrijk vinden?

Duidelijke regels horen erbij.

Kansen en erkenning betekenen niet dat regels overbodig zijn. Kinderen hebben volwassenen nodig die zeggen wat er geldt en zich daar zelf aan houden. Het werkt goed om per activiteit een paar concrete regels af te spreken, ze vaak te benoemen en erop toe te zien dat ze worden nageleefd.

Wat er gebeurt als een regel wordt overtreden, is vooraf afgesproken en bij het kind bekend. Dat is het verschil tussen een consequentie en een straf: het kind heeft invloed op de afloop. En kinderen hebben veel meer feedback nodig dan volwassenen, ook als alles goed gaat.

Verankeren

De plek in het CTC-proces.

De Sociale Ontwikkelingsstrategie kan vanaf het begin in een CTC-proces worden ingebouwd. Ze begint bij het preventieteam zelf en bereikt via het preventieplan de organisaties in de gemeenschap.

  1. Fase 2 · Organisatie opzetten

    Eerste training voor het preventieteam

    Alle leden leren de drie ingrediënten kennen en schrijven een persoonlijk plan voor één kind dat ze regelmatig zien.

  2. Fase 3 · Een wijkprofiel opstellen

    Vervolgtraining en een werkgroep

    Het bespreekt de persoonlijke plannen van de leden en verzamelt ideeën om het werk in de gemeenschap op gang te brengen. Een werkgroep neemt daar de verantwoordelijkheid voor en voegt bestaand aanbod dat de ontwikkeling van kinderen bevordert toe aan de inventarisatie van het aanbod.

  3. Fase 4 · Een preventieplan ontwikkelen

    Afspraken in het preventieplan

    Kinderopvang, scholen, verenigingen en andere organisaties leggen in het preventieplan vast dat ze de strategie in hun werk gebruiken. Voor elk van hen begint daarmee de route in negen stappen.

Fig. 4De Sociale Ontwikkelingsstrategie in de vijf fasen van Communities That Care.

Waarom training alleen niet genoeg is.

De strategie is snel begrepen, en juist daarom onderschatten mensen wat er nodig is om haar in de praktijk te brengen. Implementatieonderzoek laat zien dat een goede training op zichzelf weinig verandert aan gedrag. Het werkt wanneer vijf schakels samen een sluitende keten vormen. Ontbreekt er één, dan breekt de keten.

Alle vijf schakels houden stand. Zo bereikt de strategie de dagelijkse praktijk.

Checklist voor leidinggevenden: wat is er in uw organisatie geregeld?

Vink een vakje uit om te zien waar de keten breekt.

Negen stappen in een organisatie.

Heeft een organisatie zich in het preventieplan verbonden, dan begeleidt een trainer haar in negen stappen, van het eerste contact tot de jaarlijkse terugblik. De ervaring leert dat drie van die stappen bepalen of het lukt.

Stap 1: De opdracht voorbereiden

Doel
De organisatie wijst een contactpersoon aan, en er wordt een eerste gesprek gepland.
Waarom
Zonder steun van de leiding bereikt de strategie de dagelijkse praktijk niet.

Stap 2: Het gesprek voorbereiden

Doel
Het materiaal klaarzetten, informatie over de organisatie inwinnen en nagaan of het om kinderopvang, een school of een vereniging gaat.
Waarom
Behoeften en omstandigheden verschillen, en een goede voorbereiding wekt vertrouwen.

Stap 3: De contactpersoon spreken · bepalend voor succes

Doel
Het gesprek aangaan en met het introductieplan rollen en verantwoordelijkheden afspreken.
Waarom
De contactpersoon neemt de verantwoordelijkheid voor de invoering op zich. Oprechte belangstelling voor diens ervaring levert meer op dan een kant-en-klaar formulier.
Sjabloon: Introductieplan →

Stap 4: Het gesprek afronden

Doel
Het bijgewerkte introductieplan en het toegezegde materiaal toesturen.
Waarom
Dan staat zwart op wit wat er is afgesproken.

Stap 5: De training plannen

Doel
Materiaal, apparatuur en groepsindeling voorbereiden en de presentatie oefenen.
Waarom
Een zorgvuldig gegeven training is een van de voorwaarden voor een geslaagde invoering.

Stap 6: De training geven · bepalend voor succes

Doel
Medewerkers begrijpen de drie ingrediënten, schrijven een persoonlijk plan voor één kind en plannen in groepjes hoe de organisatie de strategie gaat gebruiken.
Waarom
Hier ontstaat de volgende stap, de eerste schakel van de keten.

Stap 7: Observaties vastleggen

Doel
Noteren wat goed ging en waar het lastig werd.
Waarom
De aantekeningen verbeteren de training en komen terug in het overleg van de trainers.

Stap 8: Opvolgen · bepalend voor succes

Doel
Met de contactpersoon nagaan of het introductieplan wordt gevolgd, en waar nodig ondersteuning bieden.
Waarom
Een geslaagde invoering staat of valt met het vragen naar resultaten. Loopt het proces vast, dan is dit het moment om bij te sturen.

Stap 9: De jaarlijkse terugblik

Doel
In het preventieteam brengen de organisaties samen wat gewerkt heeft en waar het vastzit.
Waarom
Goede voorbeelden worden zichtbaar, en dat houdt de motivatie ook na het eerste jaar vast.
  1. Stap 1: De opdracht voorbereiden

    Doel
    De organisatie wijst een contactpersoon aan, en er wordt een eerste gesprek gepland.
    Waarom
    Zonder steun van de leiding bereikt de strategie de dagelijkse praktijk niet.
  2. Stap 2: Het gesprek voorbereiden

    Doel
    Het materiaal klaarzetten, informatie over de organisatie inwinnen en nagaan of het om kinderopvang, een school of een vereniging gaat.
    Waarom
    Behoeften en omstandigheden verschillen, en een goede voorbereiding wekt vertrouwen.
  3. Stap 3: De contactpersoon spreken · bepalend voor succes

    Doel
    Het gesprek aangaan en met het introductieplan rollen en verantwoordelijkheden afspreken.
    Waarom
    De contactpersoon neemt de verantwoordelijkheid voor de invoering op zich. Oprechte belangstelling voor diens ervaring levert meer op dan een kant-en-klaar formulier.
    Sjabloon: Introductieplan →
  4. Stap 4: Het gesprek afronden

    Doel
    Het bijgewerkte introductieplan en het toegezegde materiaal toesturen.
    Waarom
    Dan staat zwart op wit wat er is afgesproken.
  5. Stap 5: De training plannen

    Doel
    Materiaal, apparatuur en groepsindeling voorbereiden en de presentatie oefenen.
    Waarom
    Een zorgvuldig gegeven training is een van de voorwaarden voor een geslaagde invoering.
  6. Stap 6: De training geven · bepalend voor succes

    Doel
    Medewerkers begrijpen de drie ingrediënten, schrijven een persoonlijk plan voor één kind en plannen in groepjes hoe de organisatie de strategie gaat gebruiken.
    Waarom
    Hier ontstaat de volgende stap, de eerste schakel van de keten.
  7. Stap 7: Observaties vastleggen

    Doel
    Noteren wat goed ging en waar het lastig werd.
    Waarom
    De aantekeningen verbeteren de training en komen terug in het overleg van de trainers.
  8. Stap 8: Opvolgen · bepalend voor succes

    Doel
    Met de contactpersoon nagaan of het introductieplan wordt gevolgd, en waar nodig ondersteuning bieden.
    Waarom
    Een geslaagde invoering staat of valt met het vragen naar resultaten. Loopt het proces vast, dan is dit het moment om bij te sturen.
  9. Stap 9: De jaarlijkse terugblik

    Doel
    In het preventieteam brengen de organisaties samen wat gewerkt heeft en waar het vastzit.
    Waarom
    Goede voorbeelden worden zichtbaar, en dat houdt de motivatie ook na het eerste jaar vast.

De trainingen worden gegeven door professionals die zelf een training hebben gevolgd en een trainersopleiding hebben afgerond. Hun eerste trainingen geven ze samen met een ervaren trainer; daarna geven ze meerdere trainingen per jaar en nemen ze deel aan regelmatige terugkombijeenkomsten.

Wat het onderzoek laat zien.

De strategie berust op het Sociaal Ontwikkelingsmodel, een van de grondigst getoetste theorieën in het preventieonderzoek. In het Seattle Social Development Project werden leerkrachten, ouders en basisschoolkinderen volgens dit model getraind; op 21-jarige leeftijd deden de deelnemers het op school of werk en in hun psychische gezondheid duidelijk beter dan de , terwijl de verschillen in criminaliteit en middelengebruik kleiner waren. Het onderzoek was gecontroleerd, maar niet gerandomiseerd.

Voor Communities That Care als geheel vond het in 24 gemeenschappen in de Verenigde Staten minder probleemgedrag in de CTC-gemeenschappen. Die bevindingen gelden voor het systeem waar de strategie deel van uitmaakt, niet voor de strategie alleen. Hoeveel ze op zichzelf bijdraagt, is niet afzonderlijk onderzocht. Ook de ervaringen uit Malmö berusten op een ongecontroleerde evaluatie.

Bronnen
  1. Sociaal Ontwikkelingsmodel: Catalano, R.F., & Hawkins, J.D. (1996). The social development model: A theory of antisocial behavior. ojp.gov/ncjrs/virtual-library/abstracts/social-development-model-theory-antisocial-behavior
  2. Seattle Social Development Project: Hawkins, J. D., Kosterman, R., Catalano, R. F., Hill, K. G., & Abbott, R. D. (2005). Promoting positive adult functioning through social development intervention in childhood: Long-term effects from the Seattle Social Development Project. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 159(1), 25–31. doi.org/10.1001/archpedi.159.1.25 In de bibliotheek
  3. Gerandomiseerd onderzoek naar CTC: Hawkins, J.D., Oesterle, S., Brown, E.C., Arthur, M.W., Abbott, R.D., Fagan, A.A., & Catalano, R.F. (2009). Results of a type 2 translational research trial to prevent adolescent drug use and delinquency: A test of Communities That Care. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 163(9), 789. doi.org/10.1001/archpediatrics.2009.141 In de bibliotheek
  4. De strategie in de praktijk: Haggerty, K. P., & McCowan, K. J. (2018). Using the Social Development Strategy to Unleash the Power of Prevention. Journal of the Society for Social Work and Research, 9(4), 741–763. doi.org/10.1086/700274 In de bibliotheek
  5. Participatieladder: Hart, R. A. (1992). Children's participation: From tokenism to citizenship (Innocenti Essays No. 4). UNICEF International Child Development Centre. eric.ed.gov/?id=ED359090 In de bibliotheek

Het idee achter de strategie komt uit het Sociaal Ontwikkelingsmodel van Hawkins en Catalano. Deze pagina en de werkbladen zijn nieuw ontwikkeld door de FINDER Akademie, naar aanleiding van het trainingsmateriaal dat Birgitta Månsson en Sara Heide voor CTC in Zweden schreven. Beiden zitten in het bestuur van Prevention Sverige (opent in een nieuw venster), het Zweedse instituut voor toegepaste preventiewetenschap.

De werkbladen.

Vier sjablonen voor het werk in organisaties, om te printen of als pdf. De activiteitenplanner en het weeklogboek kunt u ook hier op de pagina invullen.

Alle werkbladen
  • Activiteitenplanner

    Voor een activiteit die u regelmatig met kinderen doet: hoe betrekt u ze, wat moeten ze kunnen, en hoe erkent u hun inzet?

    Professionals in kinderopvang, onderwijs, verenigingen en jongerenwerk

    Ook online in te vullen

  • Introductieplan voor een organisatie

    Legt vast wat de organisatie wil bereiken, hoe de training verloopt en wie het werk daarna opvolgt. De basis voor stap 3 tot en met 8.

    Trainers en contactpersonen in organisaties

  • Weeklogboek

    Vier vragen per week, in een minuut aangevinkt. Na een paar weken wordt duidelijk welk ingrediënt in de dagelijkse praktijk te weinig ruimte krijgt.

    Iedereen die regelmatig met kinderen werkt

    Ook beschikbaar als online weekcheck

  • Zakkaart

    Vier kaarten per vel, het recept op de voorkant, de weekcheck op de achterkant. Dubbelzijdig printen en langs de snijtekens knippen.

    Voor trainingen en voor in de badgehouder van medewerkers

Het volledige trainingsmateriaal, met de handleiding voor trainers, presentaties en posters, krijgen deelnemers tijdens de training. Vraag naar trainingen in uw land

Veelgestelde vragen.

Meer vragen over CTC worden beantwoord op de pagina met alle vragen.

Is de Sociale Ontwikkelingsstrategie een zelfstandig preventieprogramma?

Nee. De strategie is een werkwijze met een eenvoudig patroon dat volwassenen inbouwen in wat ze al doen: kinderen betrekken, ze de vaardigheden meegeven die ze nodig hebben en hun inzet erkennen. Er hoort geen vaste handleiding bij, geen vast aantal bijeenkomsten en geen eigen doelgroep, en daarom staat ze ook niet in interventiedatabanken.

In het CTC-proces vult ze de programma’s aan die een gemeenschap kiest voor haar prioritaire . De programma’s werken aan specifieke doelen; de strategie zorgt ervoor dat het dagelijks leven in kinderopvang, school, vereniging en wijk dezelfde kant op wijst. Het preventieplan bevat beide.

Voor welke leeftijden is de Sociale Ontwikkelingsstrategie geschikt?

Voor elke leeftijd. De drie ingrediënten gelden net zo goed voor de vierjarige die helpt de tafel te dekken als voor de tiener die bij de sportclub jongere kinderen traint. Wat met de leeftijd verandert, is de vorm: hoeveel inspraak een kind aankan, welke vaardigheden het nog moet leren en welke erkenning het als oprecht ervaart.

De training wordt daarom meestal apart afgestemd op de kinderopvang en op scholen. De participatieladder helpt inschatten welke mate van betrokkenheid bij een leeftijdsgroep past.

Wie traint de organisaties, en wat hebben ze nodig?

De trainingen worden gegeven door professionals die zelf getraind zijn en een trainersopleiding hebben afgerond. Hun eerste trainingen geven ze samen met een ervaren trainer; daarna trainen ze regelmatig en volgen ze terugkombijeenkomsten, zodat de kwaliteit in alle organisaties gelijk is.

Een organisatie heeft vooral een contactpersoon nodig met de steun van de leiding. Met die persoon spreekt de trainer aan de hand van het introductieplan af wie meedoet, hoe het werk aansluit bij bestaande routines en wie de opvolging doet. Een training duurt meestal tweeënhalf tot drie uur, de korte versie ongeveer 45 minuten.

Hoe kan een gemeenschap zien of de strategie werkt?

Op korte termijn aan de uitvoering: plannen organisaties hun activiteiten met de drie ingrediënten, houden medewerkers het weeklogboek bij, brengen de organisaties verslag uit bij de jaarlijkse terugblik? Het kan die vragen zelf beantwoorden.

Op lange termijn laat de het zien. Die meet onder meer of jongeren in hun gezin en op school kansen op betrokkenheid ervaren, en erkenning daarvoor. Dat zijn precies de die de strategie wil versterken. Veranderingen worden zichtbaar over meerdere enquêtes heen, niet na één jaar.

Volgende stappen

Lees verder